Studium Ad Fontes wijdt zich aan westerse spiritualiteit en christelijke mystiek. Daarbij laten we ons vooral inspireren door drie bronnen die deze traditie door de eeuwen heen hebben gevoed.
De eerste bron is de Goddelijke Wijsheid, die op twee manieren kan worden verstaan. In haar universele betekenis verwijst zij naar de transcendente, goddelijke bron zelf — de Ene, de Heilige, Brahman, Tao, de Logos— waarin alle grote religieuze tradities hun oorsprong herkennen en waarnaar zij uiteindelijk terugverwijzen. In deze zin wordt zij ook wel de Sophia Perennis genoemd: de Eeuwige Wijsheid. Zij vertegenwoordigt het Goede, Ware en Schone dat aan de gehele kosmos ten grondslag ligt.
Deze transcendente bron zou voor ons echter onkenbaar blijven als zij zich niet op aarde, in menselijke taal en vorm, zou openbaren. In haar concrete betekenis verwijst de Goddelijke Wijsheid daarom naar wat daarvan aan de mens is toevertrouwd. Door de eeuwen heen is zij dan ook verkondigd door talloze profeten, wijzen en geestelijke leraren — van Hermes en Mozes tot Boeddha en Mohammed. In het christendom krijgt deze Wijsheid bij uitstek gestalte in de persoon, het leven en het onderricht van Jezus Christus.
Wat aan de mens wordt geopenbaard, vloeit vervolgens uit in de mystieke stromingen van de grote religies en wijsheidstradities. Zo kunnen we bijvoorbeeld spreken over de platoonse en christelijke mystiek, het soefisme binnen de islam en de kabbala binnen het jodendom. Deze wegen zijn niet identiek, maar vertonen wel een diepe verwantschap. Zij vormen elk een unieke uitdrukking van de Sophia Perennis. Zoals de ziel een lichaam nodig heeft om zich te openbaren, zo krijgt ook Sophia gestalte binnen een concrete traditie. Daarmee komen we bij de tweede bron van ons werk: de westerse mystiek.
De tweede bron is de westerse mystieke traditie: de bedding waarin de Eeuwige Wijsheid voor ons in tijd en ruimte gestalte krijgt. Wij richten ons bewust op de westerse traditie, in het bijzonder op het christendom; niet omdat andere tradities minder waardevol zijn, maar omdat deze ons historisch en cultureel het meest nabij is. Door haar van binnenuit te leren kennen, kunnen we haar rijkdom ontdekken en van daaruit openstaan voor andere uitdrukkingen van de goddelijke Sophia.
Omdat een levende traditie haar betekenis en kracht ontleent aan de Wijsheid die haar van binnenuit bezielt, heeft ook het christendom twee dimensies: een uiterlijke en een innerlijke. De uiterlijke dimensie — of exoterische — is de vorm waarin het zich toont: zijn leer, taal, symbolen en rituelen. De innerlijke dimensie — of esoterische in de oorspronkelijke betekenis van het woord — is zijn mystieke kern: het levende vuur van de ontmoeting met het Heilige en met de ziel der dingen. Beide hebben elkaar nodig. Zonder uiterlijke vorm kan de innerlijke ervaring niet worden beleefd, gedeeld en doorgegeven; zonder bezieling verstart de vorm tot een leeg omhulsel.
De geschiedenis van de westerse mystiek laat zien hoe deze dimensies wezenlijk met elkaar verbonden zijn. Uiteenlopende figuren als Plato en Plotinus, Dionysius de Areopagiet, Hildegard van Bingen, Meester Eckhart, Ficino, Boehme, Simone Weil en Tomberg ontvingen hun vorming steeds binnen een bepaalde traditie, maar gaven daar vanuit hun eigen ervaring een nieuwe diepte en betekenis aan.
Een levende traditie biedt zo een gewortelde weg van geestelijke transformatie. Daarin verschilt zij van vormen van moderne spiritualiteit en esoterisme die zich losmaken van bestaande tradities en willekeurig elementen uit allerlei bronnen combineren, waardoor samenhang en diepgang verloren kunnen gaan. Wie daarentegen diep wortelt in de eigen religieuze bodem, ontdekt niet alleen de rijkdom daarvan, maar ook een wijsheid die geloofsgrenzen overstijgt. Dit brengt ons bij de derde bron: innerlijke gnosis, de kennis van het hart.
Hoezeer de Eeuwige Wijsheid ook haar oorsprong vindt in het goddelijke en gedragen wordt door een traditie, toch wordt zij pas werkelijk gekend wanneer zij in een mens tot leven komt. Oude christelijke schrijvers spraken dan ook van cognitio Dei experimentalis: kennis van God, geboren uit levende ervaring. Voor dit intuïtieve weten gebruikten zij het woord gnosis, kennis die voortkomt uit de ontmoeting en eenwording met het Heilige.
Gnosis moet hier worden verstaan in de brede zin van ervaringsgerichte kennis van het goddelijke, en niet uitsluitend in relatie tot de historische bewegingen die later als gnostiek zijn aangeduid. Ware gnosis is kennis van het mystieke hart, dat vroege kerkvaders als Clemens van Alexandrië en Maximus de Belijder de nous of het schouwende intellect noemden. Dit oog van het hart kan echter pas naar behoren functioneren wanneer het is gezuiverd van gedachten en emoties die ons vervreemden van het Heilige en van onze naaste. Daarom dient de mens een weg van dienstbaarheid, geestelijke studie, gebed en innerlijke vernieuwing te gaan.
Binnen de christelijke traditie heeft deze weg een christocentrisch karakter. In zijn relatie met Christus wordt de mens, geschapen naar Gods beeld, geroepen ook diens gelijkenis te worden. Door Christus te leren kennen als een icoon van het Heilige, herwinnen we onze oorspronkelijke natuur, en kunnen we een brug worden tussen hemel en aarde.
De samenhang tussen de drie bronnen laat zich ten slotte uitdrukken in het beeld van het kruis. De verticale arm verbindt hemel en aarde: de Eeuwige Wijsheid die neerdaalt en zich schenkt. De horizontale arm loopt door de geschiedenis: de traditie die haar ontvangt en doorgeeft. Waar beide elkaar kruisen, ligt het hart. Daar ontwaakt de gnosis; daar worden wijsheid en traditie levende ervaring. Of, zoals de Vlaamse mysticus Ruusbroec het verwoordt: “Wij willen spreken over een groei van dag tot dag, door nieuwe gaven en nieuwe deugden, en over een komst van Christus, onze bruidegom, die hier en nu geschiedt, dagelijks in onze ziel.”
